Test your Dutch!

Share on Facebook709Share on Google+0Tweet about this on Twitter3Email this to someone

How good is your Dutch? Take this short quiz and find out!

1. Articles



2. Articles



3. Articles



4. Articles



5. Articles



6. Articles



7. Articles



8. Articles



9. Articles



10. Articles



11. De Rijn is een



12. De Euromast is een



13. Nederland is een



14. Amsterdam is een



15. Plurals



16. Plurals



17. Plurals



18. Plurals



19. Plurals



20. Plurals



21. Plurals



22. Plurals



23. Plurals



24. Plurals



25. De pen ligt




26. Hij woont




27. Wat is het verschil




28. Het schilderij hangt




29. De kinderen gaan




30. 's Avonds luister ik




31. Waar komt u vandaan? Ik kom




32. Zij wacht al een kwartier




33. Zij gaat naar de receptie. Zij ziet er netjes




34. Ga je vanavond




35. Verbs1 (present tense)




36. Verbs1 (present tense)




37. Verbs 1 (present tense) Meneer Jansen




38. Verbs 1 (present tense)




39. Verbs 1 (present tense)




40. Verbs 1 (present tense)




41. Verbs 1 (present tense)




42. Verbs 1 (present tense)




43. Verbs 1 (present tense)




44. Verbs 1 (present tense)




45. Verbs 2 (past tense)




46. Verbs 2 (past tense)




47. Verbs 2 (past tense) Vorige week




48. Verbs 2 (past tense)




49. Verbs 2 (past tense) Tien jaar geleden




50. Verbs 2 (past tense) Een uur geleden




51. Verbs 2 (past tense) Na het werk




52. Verbs 2 (past tense)




53. Verbs 2 (past tense)




54. Verbs 2 (past tense)




55.Zij heeft vandaag een pakje sigaretten



56. Het meisje heeft gisteren vijftig rapporten



57. Haar man heeft gisteren het avondeten



58. Wij hebben tien jaar in Delft



59. Ik ben in het weekend naar Maastricht



60. Hij heeft de rekening nog niet



61. Hij is vanmorgen om zeven uur



62. Zij heeft om half acht een kopje thee



63. Ben je in het Rijksmuseum



64. Heeft u vannacht goed



65. Meneer van Rijn



66. Elly en Marie



67. De trein



68. Zijn vrouw



69. Zie je die man




70. Hij weet niet zeker




71. Zij gaat niet naar het concert




72. We drinken nog een biertje




73. Ik had zo'n hoofdpijn




74. Hij neemt een taxi




75. Zij vraagt




76. Het is slecht weer




77. Wil je met de auto




78. Ik ben niet doof,




79. Zij




80. Als je voor het examen wilt slagen,




81. Hij vraagt haar:




82. In veel gebouwen en kantoren




83. Hij heeft nooit de ideale vrouw




84. Ik heb hem echt nodig,




85. Ik reis nooit met de boot want ik




86. Hij geeft zijn vrouw een bos bloemen.



87. Vandaag het is maandag.



88. Wij zijn in Nederland pas twee maanden.



89. Zij heeft gisteren de hele dag heel hard gewerkt.



90. Ik weet niet wanneer meneer Jansen op vakantie gaat.



91. Hij leerde Engels toen hij was jong.



92. Ik eet een boterham want ik heb honger.



93. Volgend jaar wij zullen bezoeken het Van Gogh museum.



94. Als het mooi weer is, ga ik naar het strand.



95. Het boek dat op de tafel ligt blauw is.



96. Neem me niet kwalijk, betekent




97. Dat is jammer, betekent




98. Het gaat wel, betekent




99. Klaar is Kees, betekent




100. De test viel mee, betekent