Laan van Nieuw Oost-indië 275 | 2593 BS Den Haag, The Netherlands | +31(0)70 365 46 77

Welke keuken-woorden ken jij?

Hoe goed ben jij in de (Nederlandse) keuken? Waarmee maak je deeg plat? Waarmee maak je melkschuim? Hoe weet je hoeveel gram suiker je gebruikt? Waarmee zorg je dat je je handen niet brandt, als je iets uit de oven pakt? Waarmee maak je kleine stukjes kaas?

Schrijf alle 20 dingen die je hierboven ziet op. Let daarbij ook op of het een HET-woord is, of een DE-woord. De antwoorden staan hieronder!

 

 

  1. De garde
  2. De deegroller
  3. De (kook)pan
  4. De (fluit)ketel
  5. De spatel
  6. Mes en vork (het mes, de vork)
  7. Het schort (de schort mag ook)
  8. De (steel)pan
  9. De rasp
  10. Het hakmes
  11. De blender
  12. De ovenwant
  13. De magnetron / de oven
  14. De broodrooster (het broodrooster mag ook)
  15. De koksmuts / de bakkersmuts
  16. De stolp
  17. Peper en zout (de peper, het zout)
  18. De pizzasnijder
  19. De sausfles
  20. De weegschaal

Had je meer dan de helft goed? Dan heb je wel iets lekkers verdiend!